| Tuesday, October 14, 2008, 1:06:34 P.M. | Unix Time Converter | In Dutch @ The Cowboys | In Google Directory |
« Virussen? Laat Bill bij Ab te rade gaan | Main | De volgende worm heet MyAndrew »

Leve de lol. Vrees niet, hier volgt geen pleidooi voor het nakende carnaval, al zou je dat als topsport kunnen beschouwen. Want iedere vierder kan met enig recht beweren dat vier dagen kroeglopen een prestatie van formaat is, ook al zit de spierpijn op Aswoensdag voornamelijk tussen de oren. Het gaat om de fiets, waarop wel wat meer gelachen zou mogen worden, waarop men wel wat vriendelijker, of desnoods alleen maar beleefder tegen elkaar, de medefietser en de wandelaar zou mogen zijn.
Voor de goede orde: de racefiets van de liefhebbers. Het gaat niet om het stalen ros, voorzien van zadeltassen en spatlappen, waarop men zich in het ochtendgloren zwijgend naar de dagelijkse gevangenis haast, die voor de een kantoor en de ander school heet. Van dat chagrijn kan ik niet meespreken, maar niet iedereen heeft het getroffen, dus daar val ik niet over.
Wat ik daarentegen niet kan begrijpen, is de overdosis serieuziteit waarmee in Nederland op het koerszadel van de sportfiets plaatsgenomen wordt. Sinds ondergetekende een jaar of drie geleden het fietsen ontdekte als een minder belastend alternatief voor het gedraaf over asfalt en bospaden, vraagt-ie zich af wat er aan de hand is met die Nederlandse fietsers.
Nou was het contrast in het begin van mijn kennismaking met de fiets wel erg groot. Mijn eerste pushbike, zoals ze de fiets Down Under noemen, werd ingereden in een fantastische trip van twee weken, langs Port Philip Bay, de oversteek vanaf Mornington Peninsula en daarna Great Ocean Road, op weg naar Adelaide. Het fantastische zat hem net zo goed in het verblindende natuurschoon van een van de mooiste wegen ter wereld als in de openheid en de vriendelijkheid van de Australiërs, die goed zijn in groeten en aanmoedigen. Iedere renner die je inhaalt, remt even af, vraagt of alles kits is, of-ie je op sleeptouw moet nemen, waar je vandaan komt, waar je heen moet. Ook iedere tegenligger roept lachend iets tegen je.
Hoe anders in Nederland. Ik weet niet wat het is met mijn fietsende landgenoten, maar er is maar zelden een tegenligger die met zijn hoofd knikt, zwaait, of iets roept. En gelachen wordt er al bijna nooit. Zelf blijf ik consequent mij tegemoet komende stoempers groeten, want ik wil niet bij de hufterige horde horen, waar het hier om gaat. Soms krijg je een hooghartige hoofdknik retour, heel af en toe kom je er één tegen met humor en opgewektheid in zijn genen.
Mijn dag is dan weer goed, maar dat is-ie meestal niet als ik zo'n pelotonnetje tegenkom van leeftijdgenoten die om onbegrijpelijke redenen hooghartig het denken uitstralen dat ze moeiteloos mee kunnen in de Tour de France. Zo strak is men gekleed, zo duur zijn de fietsen, zo verbeten kijkt men, terwijl de teller toch echt maar op een kilometer of 34 in het uur staat. Dat is een tempo dat ik mijn eentje in het vlakke niet lang kan handhaven, maar als ik mijn dag heb en uit de wind blijf, kan ik lang aan de staart van zo’n sliert blijven hangen. Je doet er niemand kwaad mee, zou je zeggen, en ach, wat stelt het nou eigenlijk voor? Een beetje amateur kart met dat tempo de Cauberg op en als een echte renner zich kwaad maakt, gaat-ie twee keer zo hard.
Na twee idiote ervaringen ga ik niet meer aan de staart van zo’n peloton hangen. De eerste keer schreeuwde de nummer voorlaatst, die notabene zelf tien kilometer lang geen kopwerk verricht had, tegen me dat ik - ‘godnondeju!’ - op moest rotten. Nou word ik altijd een beetje dwars van dat soort gedoe, maar toen ook de nummers acht en negen zich ermee begonnen te bemoeien - ‘opflikkeren!’ - kwam het inzicht dat het sop de kool niet waard was.
Het kan nog erger. Op een zondagmorgen achter een ander peloton werd ik voorgoed solerend tijdrijder.
Qua fietsen en shirtjes zag het er zeer professioneel uit, hetgeen heerlijk vloekte met de rode koppen, de dikke konten en de uitpuilende buiken. Vloeken deden ze zelf ook; luidkeels tegen alle solerende liefhebbers, bejaarden of moeders met kinderen die het waagden om langzaam hetzelfde fietspad te gebruiken: ‘Uit de weg, godsakkerju nog an toe.’
Posted by Leon at February 6, 2004 10:03 AM
Ingezonden brief in de krant:
Van harte ben ik het eens met wat Leon Krijnen schrijft over onbeschofte sportfietsers. Zelf woon ik op Tholen en als wij dan eens samen gaan fietsen, wordt je uitje vaak vergald door hele peletons. Vaak onze zuiderburen, die menen dat het fietspad van hen is. Als je dan voorbij gereden wordt, eerst voorafgegaan door een hoop gebel en geschreeuw, word je vaak gewoon van de wegafgedrukt er word je getrapt en bespuugd. En er wordt gescholden. Als je dan denkt dat alles voor bij is, komt daar nog vaak een bezemwagen over het fietspad, beschilderd met de naam van een of ander café uit een Belgisch gehucht. Het stuk is mij uit het hart gegegrepen
Oud Vossemeer
Posted by: Ab Vriesma at February 10, 2004 08:57 AM
Ach, zou het misschien komen omdat we dit kikkerlandje eigenlijk niet is gemaakt om te fietsen? Weertechnisch gesproken dan. Kijk, in Oz is het gewoon lekker weer. Als je dan gaat fietsen, zeker in dat landschap, dan word je vanzelf vrolijk. In Nederland hebben we te maken met regen, hagel, (tegen-)wind en iets wat ambtelijke molen heet. Die ambtelijke molen zorgt bijvoorbeeld voor de meest absurde verkeerssituaties die je je maar kunt voorstellen. En Nederlanders zijn inderdaad van nature gewoon zeikerds :-)
Posted by: Frank at February 8, 2004 10:06 AM