logo-bns-app.png



« Baseball as America | Index | Silence ... »

May 15, 2004, by Léon Krijnen

WiFi heeft airco en bubbelbad verslagen   

starbucks.jpgIedereen die iets met computers en of internet te maken heeft, zou ieder jaar even naar de Verenigde Staten moeten gaan. Al dan niet geheel of gedeeltelijk op de kosten van de baas, is het altijd een goede investering in onbetaalbare ervaringen en nieuwe ideen.

Hetgeen uiteraard ook geldt voor wie geen belangstelling voor internet en computers heeft. Wat men ook van Amerika denkt, het blijft een land van uitersten, waar de prachtigste, de ontroerendste, en de mooiste, n de lelijkst denkbare, stuitende en walgelijke dingen gemaakt, geleefd en uitgevoerd worden. Hoe vaker je er komt, hoe moeilijker het wordt om een finale conclusie te trekken.

Het gaat hier om computers en internet, en ook daarin is de USA een land van uitersten en tegenstellingen. Nog maar weinig mensen rekenen hier bij een benzinepomp contant af, omdat chippen, pinnen, een tankpasje of de sleutelhanger met de chip erin gemeengoed zijn. Aan de 'Jersey side', westelijk van Manhattan, is alleen maar mogelijk om toe te kijken hoe een pompbediende, met in zijn ene hand een dik pak beduimelde dollars, met de andere hand je tank volgooit. Vraag me niet waarom het in New Jersey op die manier gaat, maar ook in andere staten is de keus meestal beperkt tot cash of credit card. Waar in Nederland moet je bij een parkeergarage nog contant afrekenen bij een mannetje dat in een benauwd hokje uitlaatgassen in zit te ademen? Op alle apparaten die in Nederland pinpasjes of chippers slikken, zit in Amerika een gleuf van ongeveer hetzelfde formaat, maar die lust alleen maar groene dollarbiljetten. Wanneer is de eurocheque hier ook alweer uitgestorven? Amerikanen betalen de huur en de lopende rekeningen nog steeds met handgeschreven cheques. Bij een rondleiding in Philadelphia langs de Liberty Bell en het knusse zaaltje waarin de Onafhankelijkheid werd uitgeroepen, wordt door de gids zo ongeveer uitgelegd dat Amerika daar de democratie heeft uitgevonden en gexporteerd. Mijn geschiedenisboeken nog maar eens nalezen over dat zo enthousiast vertelde verhaal, dat zeker klopt als het over internet gaat. Tim Berners Lee, de man die de software voor de eerste browsers schreef, is geen Amerikaan, maar zijn programma's werkten wel op basis van TCP en IP, door Amerikanen geschreven protocollen.

Tot vorige week verbaasde ik me vaak over de visuele afwezigheid van internet in Amerikaanse straten. Althans, van echte mensen, die iets met of op het internet deden. Op de immense billboards was het een en al internet wat de klok sloeg, op de autoradio werd je ook al de hele dag doodgeslagen met commercials over www, vanaf de televisie probeerde de een na de andere provider je het net op te sleuren. Maar terwijl je al zeven jaar geleden in Azi, Australi en Nieuw-Zeeland struikelde over de elkaar kapot concurrerende internetcafs, was internet voor de reiziger in de Verenigde Staten met een kaarsje te zoeken. Hij was aangewezen op de laptop, de telefoonnummers van Compuserve, en de voorraad stekkers, tangetjes, schroevendraaiertjes en plakband. Of een nummertje trekken voor een van de beschikbare terminals in de openbare bibliotheek, goed voor een half uurtje surfen. Het waren mooie tijden, en ik had ze niet willen missen, maar ze zijn gelukkig voorbij. Stekkertjes zijn uit, het toverwoord is WiFI. Draadloos internet dus, en dat gaat hard daar. Al moet je er wel even op letten voordat je het in de gaten hebt, maar dat komt omdat de gemiddelde Amerikaan, en ook dat kan niet vaak genoeg gezegd worden, een stuk beleefder en bescheidener is dan mijn gemiddelde landgenoot. U hoeft zich niet meteen aangesproken te voelen, maar men loopt daar bijvoorbeeld niet de hele dag in het openbaar onbeschaamd in een mobieltje te kwaken, terwijl iedere omstander tegen wil en dank moet meegenieten. Dus duurde het even voordat ik in de smiezen had dat niet alleen in New York, maar ook in kleinere steden het draadloos internet, al dan niet in de hand, alom aanwezig is.

Een van de klassieke Amerikaanse succesverhalen is dat van Starbucks. Ooit begonnen als een eenmanstentje in Seattle, is Starbucks hard op weg de McDonalds van de koffie te worden. Zo'n halve liter cappucino of latte is niet alleen een perfecte manier om de dag mee te beginnen, je ziet er steeds meer mensen die er uren zitten te werken op hun laptop. Draadloos, gratis, gesponsord door het in Amerika alom aanwezige T-Mobile. Grappig om te zien hoe internet is opgerukt naar de honderdduizenden goedkope motels, aan de invalswegen van iedere Amerikaanse stad of dorp. Ooit schreeuwden die op de reclameborden om het hardst dat ze kleurentelevisie op alle kamers hadden, dat je op die dingen gratis naar HBO of een andere commercile sportzender kon kijken, of dat ze jacuzzi, airco, extra grote badkuipen en nog grotere king size bedden hadden. Net als bij Starbucks is WiFi nu het lokkertje geworden; gratis draadloos internet! De terminologie is nog een probleem: met n vette HotSpot straal je een heel motel aan, dus je kan moeilijk adverteren met: 'draadloos internet op iedere kamer'. Niet dat het de klant wat bommen kan. Als de HotSpot geadverteerd is, weet-ie dat-ie overal zijn laptop of zijn flitsende handheld open kan klappen, of het nu in zijn kamer, aan het zwembad, bij het ontbijt, of op de parkeerplaats is.

Ik was er eigenlijk net een jaar of twee aan gewend om de laptop met alle bijbehorende ellende thuis te laten, maar kennelijk wordt het toch tijd om een nieuw hebbedingetje aan te schaffen. De belangrijkste vraag: hoe groot? Een flinke handheld, of een mini laptop?

Posted: May 15, 2004 11:17 PM (919 words).   

Comment over here or on my Facebook wall . . .