logo-bns-app.png



« Straatmuziek | Index | Help! Geen dekking! »

October 31, 2010, by Léon Krijnen

Frans Derks: ‘Tachtig jaar turbulentie en chaos'   

frans-en-frans.jpg
Over deze foto in het eendelige pakje met modeontwerper Frans Molenaar: ‘Mijn lieve moeder zei altijd: ‘mode moet het goede aan je lijf markeren, en het slechte maskeren’. Daarom had Leo Horn zo veel aan en ik zo weinig. Jos Coler, voorzitter betaald voetbal, ergerde zich dood aan mijn kleding. Hoe meer hij dat deed, hoe vaker ik naar Frans Molenaar ging om een nieuw pakje te laten aanmeten. Al kneep die wel eens in mijn billen tijdens het passen.’

Het is alweer 32 jaar geleden dat Frans Derks zijn laatste officiële wedstrijd floot. Die sloot hij op zijn eigen manier af: met een publiekswissel in de kampioenswedstrijd van PEC Zwolle. Tien minuten voor tijd stapte hij van het veld, en reed op een schimmel naar het centrum van Zwolle, waar PEC de promotie naar de eredivisie vierde. Overmorgen tachtig jaar, maar hij fluit nog steeds.

Vrienden voor het leven of gezworen vijanden: over één ding zijn ze het eens. Als Frans Derks ergens binnenkomt, is er leven in de brouwerij. Van gewoon gezellig rumoer tot reuring en ruzie, daar staat Derks garant voor. Tachtig jaar turbulentie en chaos, noemt ie het zelf. „Maar wie me echt kent”, zegt hij, „die weet ik dat ik in wezen een introvert mens ben. Verlegen.”

Een leven lang samen met zijn Leentje, wil hij over zijn leeftijd het liefst zo weinig mogelijk en over zijn privéleven helemaal niets in de krant. „Daar blijf je met je poten af. Dat is van ons. Als je dat niet belooft, dan flikker ik je meteen buiten.”

Derks leeft in twee uniformen. Scheidsrechter Derks draagt twee kicksen, een shirt, een fluitje en natuurlijk hét broekje.

De andere Derks is af en toe huisman, altijd dierenliefhebber, vaak voorzitter en regelmatig regelneef, via zo kort mogelijke lijnen. Buiten het voetbalveld stapt Derks altijd op kekke gympen onder een spijkerbroek, daarboven een sjiek overhemd onder een pullover, bekroond met de onafscheidelijke sjaal.

We zitten in de keuken. Leen zet koffie, warmt het gebak op, de heer des huizes gooit zijn gympen op tafel en steekt een Belga op. Moos, de zoveelste in een lange lijn van boxers, gromt lang en intens naar het bezoek, maar snapt snel dat het goed volk is. Een natte neus wordt op de knie gelegd.

Leen zegt ‘Houdoe, jullie zoeken het verder maar uit’ en gaat naar waar ze het liefst is: de beestenboel achter het huis. Twee pony’s, een ezel, konijnen, schapen en geiten, een gans, een pracht van een varken zo groot als een bestelbus. Bedaarde beesten, niet beseffend welke mazzel ze gehad hebben door het pad van Derks te kruisen.

Hij kaapte ze na een lesje anatomie op de operatietafel in het academisch ziekenhuis van Utrecht, sleepte ze weg voor de poort van het slachthuis of haalde ze uit een smerig asiel. De twee koeien die hij ooit van het slachthuis redde, zijn op een gezegende leeftijd naar de dierenhemel vertrokken. Net als alle voorgangers van Moos en de hangbuikzwijntjes die onder de koeien stonden om druppels melk op te vangen.

Hoeveel wedstrijden hij gefloten heeft, geen idee. We tellen samen. Bijna zestig jaar scheidsrechter, nooit minder dan twee per week, nog steeds.

Op velden en in zaaltjes, op pleintjes, op de Grote Markt van Breda, in de bajes of in het circus. Maakt hem allemaal niks uit: Fransje komt graag fluiten, met alle plezier. Slechts één voorwaarde: het moet voor een goed doel zijn, pas dan komt ie. Voor niks.

Zestig maal tweeënvijftig weken, een tot twee keer per week, dat zal ruim vierduizend wedstrijden zijn. Dat moet toch een record van het een of ander zijn?

Hij neemt een slok espresso en blaast de rook van de volgende Belga naar het plafond van de keuken. „Tja, en wat dan nog? De enige reden dat je hier zit, is mijn verjaardag en daar heb ik niks voor gedaan. Je kunt beter een grensrechter gaan interviewen die al zestig jaar bij een amateurclub staat te vlaggen.”

Zijn leven als scheidsrechter begon bij toeval. De jonge Derks kon redelijk handballen en aasde op een selectie voor het Nederlands team. „Ik was op mijn racefiets naar de centrale training in Tilburg geweest, toen ik op de terugweg langs het zomeravondvoetbal in Breda kwam. Daar kwamen in de jaren vijftig duizenden mensen naar kijken. Moest er net een wedstrijd beginnen tussen barkeepers en slagers, en hadden ze geen scheids. De voorzitter kende me en riep: ‘Hé Franske, ge hèt toch sportkleren aan, dan kende ook fluiten’.

Derks, die destijds niet alleen handbalde, maar ook voetbalde bij Jeka, blies voor de eerste keer van zijn leven op een fluitje. „Van 35 cent’’, herinnert hij zich zes decennia later. Je kunt wel zeggen dat dat dingetje mijn leven voorgoed veranderd heeft.”

Zijn debuut was er een in de stijl die het hele land later zou leren kennen: de regels een beetje buigend, als ie dat nodig vond.

Grinnikend: „De slagerskeeper riep te pas en te onpas: ‘laat gaan!’, en dat irriteerde me. „Ik waarschuwde hem dat ik de bal op het pitje zou leggen al ie z’n kop niet hield. Dat deed ie niet, dus de bal ging op de stip, waardoor de slagers met 1-0 verloren.”

Zijn eerste wedstrijd kreeg een verloop dat hij later vaker mee zou maken: een verbale confrontatie. Derks stond in een bouwkeet te douchen toen de slagers eraan kwamen: ‘We gaan die nozem pakken’.

„Mooi niet. Daar ben ik nooit voor opzij gegaan. Ik naar buiten, op die keeper af. Ik zei dat ik die bal niet op het pitje had gelegd vanwege zijn geschreeuw, maar omdat hij zijn knie in de nieren van de tegenstander had geplant. Dat pikten ze.”

„Meneer Plasman van de scheidsrechterscommissie stond erbij en keer ernaar. Hij vond dat ik scheidsrechter moest worden. Eigenlijk had ik het veel te druk met studeren, handballen en voetballen, maar we spraken af dat ik hem iedere maand een briefje zou sturen met mijn vrije dagen. Zo is het gekomen.”

De KNVB-, UEFA- en FIFA-scheidsrechter, door de Nederlands profvoetballers meerdere malen tot primus inter pares gekozen, moest al 32 jaar geleden afscheid nemen. Te oud, in 1978.

De fluit liet ie zich niet afpakken, maar de podia werden wat minder. Geen nood, meer dan genoeg te doen tussen het fluiten door. Voorzitter van Brevok, zestien mooie Bredase volleybaljaren. Nog langer voorzitter van FC Dordrecht en president van de Jupiler League, ook nog interim rotzooiruimer bij NAC.

Derks saneerde NAC in 1987 op zijn Derks, en versloeg de schuldeisende staat in een legendarisch spelletje blufpoker, toen de inboedel aan de Beatrixstraat geveild werd. De deurwaarder van de belastingdienst belandde in een remake van The Good, The Bad and The Ugly. „De inboedel was geen flikker waard”, vertelt hij grijnzend, „maar ik was niet van plan om ze ook maar een tafel of een stoel te gunnen. We we hadden geen cent te makken, NAC kon niks missen. Ik had een paar zware jongens ingehuurd, brede schouders in nette zwarte pakken. Als er ook maar iemand van plan was om een bod uit te brengen, keken die heel kwaad, dus er werd niks geboden. Het leverde de deurwaarder iets van 7000 gulden op, terwijl ze op tonnen uit waren.” Anno 2010 staat NAC weer tot over de knieën in de shit. Heeft er al iemand gebeld? Derks blijkt niet van plan om zich nog een keer met NAC te gaan bemoeien. „Ze zoeken het maar uit. Het is mooi geweest. Maar NAC hoeft zich niet echt zorgen te maken. NAC gaat nooit kapot. Waarom niet? Omdat NAC iets unieks heeft: je legt er een bal op de middenstip en er komen weer 17.000 man kijken. Zo is het altijd geweest en zo zal het altijd gaan. Let maar op.”

De helft van wat hij allemaal vertelt, mag niet in de krant. Jammer, maar afgesproken. Dat moet hij zelf dan maar doen, in zijn vijfde boek. Derks is een begenadigd orator, maar ook een goed luisteraar. Introvert of niet, hij praat graag. Na vier uur is er nog genoeg wat wel in de krant mag, graag zelfs, maar het papier is helaas niet van elastiek. Derks gaat prat op zijn mensenkennis. „Ik kom ergens binnen en dan heb ik meteen in de gaten hoe de verhoudingen liggen, hoe de boel in elkaar zit. Dan ga ik het regelen en verdelen. Geen oeverloos geouwehoer; dat kost alleen maar tijd en je schiet er niks mee op. Hup, aan het werk, en verder geen gezeik. Daar ben ik het beste in.”

Maar hij is niet te beroerd om toe te geven dat hij er wel eens naast zat. Ooit had hij zelf een manager nodig, bij schoonmaakgigant ABC waar hij toen aan het roer stond. Advertentie gezet en op een zaterdagmorgen de schrijvers van de twintig beste brieven en de mooiste cv’s uitgenodigd voor een gesprek. Derks had er een zaaltje voor afgehuurd in het voormalige Hotel Cosmopolite, tegenover het oude station van Breda. Er stond voor twintig man koffie en broodjes klaar. „De tweede vent die binnenkwam, was mijn man”, vertelt hij bijna veertig jaar na dato. „Kon niet missen, met mijn mensenkennis. Charmante vent, met alle papieren, een cv van hier tot ginder, lovende referenties, en hij kon de maandag erop aan de slag. Hij pakte me helemaal in. Ik was verkocht en nam hem ter plekke aan. De andere sollicitanten heb ik allemaal een reiskostenvergoeding gegeven en dat was dat.”

Foute beslissing. „Hij bakte er niet veel van, maar kon wel erg goed declareren. Maar ja, het was mijn eigen verantwoording dat ik hem een vast contract gegeven had, zonder proeftijd. Ik heb hem dus zo lang mogelijk gehandhaafd. Het bleef wel een charmante vent, die later met allerlei lichamelijke klachten in de WAO belandde”. De blauwe ogen glimmen: „Tot zover mijn legendarische mensenkennis. Ik heb het dus ook wel eens mis gehad.”

Hoeveel wedstrijden nog? Hij gelooft niet in God, maar zegt dat die de enige is die dat weet. „Nog een jaar of vijftien? Het lijf wordt nog iedere dag anderhalf uur in het zweet getraind. Tot mijn vijfennegentigste fluiten? Daar teken ik nú voor. Dat zou mooi zijn.” Privé of niet, over zijn vader wil hij wel vertellen. Plots blinkt een traan in een ooghoek.

In een zilveren doosje bewaart hij de dierbaarste herinnering aan zijn vader. Het is de peuk van zijn laatste sigaar, die hij in 1974 zat te roken toen de hersenbloeding toesloeg. Ernaast ligt een van zijn horloges. Wijlen Derks senior was een horlogefanaat.

Zijn favoriete junior heeft die tic overgenomen. „Mijn vader was mijn grootste idool. Nog steeds. Vijf jongens had ie, maar om de een of andere reden vond ie dat ie mij altijd het meeste moest beschermen. Misschien wel omdat ik nu nog steeds de grootste lummel van het span ben. Bij mij ging er altijd wel iets fout, gegarandeerd dat de bal door de ruiten ging net als ik er tegenaan trapte.”

Zijn vader vertrok veel te vroeg uit zijn leven. „Hij kreeg een tweezijdige hersenbloeding toen hij op de bank zat te puzzelen. ‘We kunnen dit en we kunnen dat’, zei de chirurg, ‘maar dan zal hij altijd een kasplantje blijven.’ Toen zei ik tegen de chirurg: ‘Dat zou dan mijn vader niet meer zijn. Zo heeft mijn vader niet geleefd en zo zou hij niet willen leven.’ Dat wilden we niet. Toen was het over. Ik mis hem nog steeds, iedere dag van mijn leven.” De laatste Belga van de middag wordt aangestoken. Tijd om afscheid te nemen. Maar niet voorgoed. Over tien jaar wordt Derks negentig.

Nog een wedstrijd of duizend?

Derkse uitspraken

Over de foto hierboven in het eendelige pakje met modeontwerper Frans Molenaar: ‘Mijn lieve moeder zei altijd: ‘mode moet het goede aan je lijf markeren, en het slechte maskeren’. Daarom had Leo Horn zo veel aan en ik zo weinig. Jos Coler, voorzitter betaald voetbal, ergerde zich dood aan mijn kleding. Hoe meer hij dat deed, hoe vaker ik naar Frans Molenaar ging om een nieuw pakje te laten aanmeten. Al kneep die wel eens in mijn billen tijdens het passen.’

Over het leven en de dood: ‘Ik heb tot op heden geleefd. Van leven ga je dood, wie niet echt leeft, sterft’.

Over zijn grote liefde Israël: ‘Luister, zolang de joden leven, zijn ze opgejaagd. Gun ze nou dat ene stukje land. Maar gun de Palestijnen dan ook hun eigen stuk’.

Over steun aan betaald voetbal: ‘De economen hebben uitgerekend dat de Nederlandse overheid via btw, loonbelastingen en investeringen per saldo op jaarbasis 260 miljoen euro terugverdient aan het totale voetbal. Bovendien heeft voetbal een maatschappelijke functie en geeft het een hoop vrolijkheid’.

Over zijn lijf: ‘Dat wordt nog steeds anderhalf uur per dag gepijnigd. Het broekje past nog altijd en als dat niet meer het geval is, schei ik er mee uit. Zorg je wel dat er een mooie foto bij dit verhaal komt?’

Over voetballers: ‘Ik mis de harde spelers van vroeger, zoals Van Hanegem, Veldhoen, Laseroms, Krol, Kerkum en Israël. Als zij op het veld stonden, werd er tot het bittere einde gevochten om de bal. Dat vond ik altijd het mooiste dat er was’.

Over vrouwenvoetbal: ‘Je moet zelf een beetje lol maken in je leven. Er wordt hier wat afgezeurd. Daar doe ik niet aan mee. Neem nou dat damesvoetbal, echt, ik heb er van genoten. Vrouwen hebben veel meer medailles gehaald dan mannen. Vrouwen hebben meer doorzettingsvermogen. Zeiken tegen de scheidsrechter, ja die jongetjes met een miljoenencontract wel, maar bij vrouwen heb ik het nog nooit gezien’.

Over zijn karakter: ‘Ik ben met enthousiasme en geestdrift geboren, dat heb ik van mijn vader. Pappie zei altijd: ‘Goed om je heen kijken.’ Ik heb ooit in de Kalverstraat drie bossen bloemen gekocht voor de eerste de beste dames met zware tassen. Het werd gewantrouwd, maar ik wilde gewoon mijn vreugde delen. Ik koop ook altijd een straatkrant’.

Over schelden: ‘Ik heb het woord hondenlul nooit als beledigend ervaren. Kom nou: voetbal is een volkssport. Ik beschouwde het als een koosnaampje’.

Over de mens: ‘Ik heb helemaal niks met rijken en regenten, kakkers of bobo’s, oud geld of mensen die zichzelf belangrijk vinden. Ik hou van gewone mensen, daar heb ik altijd het beste mee op kunnen schieten. Ik ben overal meteen vriendjes met de werksters en de chauffeurs, de bedienden en de zwervertjes. Daar praat ik het liefste mee’.


frans-en-otje.jpg
Frans met ezelin Otje die na een ongelukkige jeugd van een gezellige oude dag geniet in de beestenboel achter huize Derks.

Posted: October 31, 2010 05:28 PM (2430 words).   

Comment over here or on my Facebook wall . . .