logo-bns-app.png



« Er zit een gremlin in mijn computer | Index | Linux: je van hét voor Internet? »

March 02, 1996, by Léon Krijnen

Een ongeluk komt nooit alleen   

Het heeft me wat losgemaakt, dat stukkie van vorige week over die gremlin die blijkbaar gratis meegeleverd wordt als onderdeel van Windows 95. Wisselende reacties. Zo wisselend, dat ik nou door de bomen het bos helemaal niet meer zie.

Om te beginnen werd ik de avond na het schrijven van mijn vorige rubriek voor de zoveelste maal hardhandig gewezen op de wet van Murphy en de afgeleiden daarvan. Een van die sub-wetjes is dat een ongeluk nooit alleen komt. Dat bleek maar weer eens. Nadat ik vorige week woensdag en donderdag die gremlin in Windows 95 met verschillende verdelgingsmiddelen te lijf gegaan was, leek ik uiteindelijk het pleit in mijn voordeel beslecht te hebben. U weet nog wel: formatteren, de boel uitzetten, opstarten met een bootable disk zodat de cd-drive weer weet dat-ie moet gaan draaien en daarna Windows 95 opnieuw installeren.

Vervolgens weer een trits programma's en randapparaten aan de gang zien te krijgen: de printer, de sound-blaster, de Apple Quick Take, WinCim, AfterDark, RoboDunn, Office, Norton Anti Virus, System Agent en nog een tiental andere speeltjes. Toen al dat spul tien dagen geleden allemaal weer liep, schreef ik mijn column van vorige week waarin ik me afvroeg of het nou verdorie niet eens tijd werd om OS/2 of Linux te gaan draaien in plaats van Windows 95. Het eind van het verhaal was het helaas nog niet, maar daar kwam ik pas achter toen mijn vorige epistel al naar een van de Power Mac's op de krant gestuurd was, Quark XPress het opgemaakt had, een laserprinter op de eerste verdieping pagina week 3 al uitgebraakt had en de drukplaat al vervaardigd was.

Want toen ik thuis kwam, in de wetenschap dat er een schone en snelle computer op me stond te wachten, bleek die gremlin van de tower naar de monitor verhuisd te zijn en zijn wraak was zoet. Met een harde tik nam de beeldbuis afscheid: beeld zwart, display linksonder dood, ventilator wegstervend. Dat laatste stelde me nog enigszins gerust, want daaruit meende ik te mogen concluderen dat de voeding de geest gegeven had zodat de schade waarschijnlijk te overzien is. Of ik daarin gelijk krijg weet ik nog niet, want de reparateur heeft de leverancier nog niet laten weten wat er precies aan de hand is. Wat de laatste uiteraard wel wist te vertellen, na één blik op het typegoedkeuringsplaatje, was dat de garantie inmiddels waarschijnlijk verlopen is. Dat moet ik vooralsnog maar aannemen, want voor rekening en garantiebewijs geldt hetzelfde als voor die licentienummers die ik vorige week nodig had: ze moeten ergens in huis zijn, maar de brandende vraag is tot nog toe waar.

De reacties die ik de afgelopen week heb mogen ontvangen waren weliswaar wisselend, maar ze vertoonden desondanks één gemene deler: heimelijk dan wel luidruchtig leedvermaak. Omdat cynisme mijzelf niet helemaal vreemd is gun ik al die harde lachers, met ene Martijn van Breugel als dirigent, hun plezier. Ik ben zelfs niet te beroerd om hen te laten weten dat mijn elektronische kruisweg daarna nog niet ten einde was.

Lach niet hard, want wie weet wat uw hardware de komende weken voor nukken gaat vertonen. Net voor de monitor voortijdig de Vut in ging, had ik gezien dat ik post had. Die wilde ik nog wel even lezen, dus de Toshiba 1950 snel uit zijn koffertje gehaald. De steun en toeverlaat die mij in bush en bergen, op campings en in shabby motels Down Under foutloos bediend heeft. Telefoondraad uit de PC getrokken, in de PCMCIA-card gestopt en opnieuw verbinding gemaakt met Compuserve. Volgde een werkelijk oorverdovend gekrijs en daarna doffe stilte. Dat gekrijs leek de doodskreet te zijn van dat 28K8 modemkaartje, waarvoor ik in september 375 Amerikaanse dollars betaald heb.

Maar ik koester de stille hoop dat er in de Toshiba zelf iets kapot is, want die is, in tegenstelling tot die Megahertz Card, van de baas. Met een klein beetje mazzel, waar ik nou onderhand wel een beetje recht op meen te hebben, is alleen de PCMCIA-uitgang van de Toshiba naar de knoppen. Want ook de Smart Card, die nog ergens in een hoek bleek te liggen, weigerde om zich te laten installeren. Bovendien kon een diagnose-programma eerst geen fout in het modempje vinden, om vervolgens mede te delen dat het dat modempje niet vinden kan. Knock on wood, dat duidt op intern gedonder.

Al met al had ik nog steeds mijn post niet kunnen lezen. Ik ben eerst maar koffie gaan drinken bij een collega em mede-Compuserver waar ik even mijn user-id en password in diens WimCim mocht tikken. Daarna heb ik nog een andere oplossing gevonden. Thuis stond nog ergens een oer-Toshiba te verstoffen. Uit de 1000-serie, alle garantietermijnen verstreken en overleefd, inmiddels tien jaar oud, zonder floppy-drives, met mini-hard-disk met daarop de allereerste versies van Procomm Plus én een 2400 bauds-modem. Een old-timer, maar daar zou toch ook iets mee te verzinnen moeten zijn?

Voor de gein, en omdat ik verder toch niets te doen had met die twee kapotte computers, back to the future. Het bleek een fluitje van een cent. Gewoon een dial-up gemaakt met de standaard-instellingen N81 enzovoort, mede-freaks weten wel wat ik bedoel. De verbinding kwam zowaar tot stand, maar ik zag alleen maar onleesbare rommel. Dat is niet verontrustend, zo wist ik, vanwege het verschil tussen 7 en 8 bits waar je mee zit totdat de rest van het protocol is afgewerkt.

Ik ging er dus maar letterlijk blindelings van uit dat ergens in die over het schermpje dansende geheimtaal gevraagd werd wat ik wilde en wie ik was. Dus tikte ik netjes CIS in, daarmee aangevende dat ik via een terminal-verbinding naar Compuserve wilde. Vervolgens mijn nummer en password ingetikt en, verroest, het licht ging ineens aan. Een keurig leesbaar menutje, zoals het allemaal ging toen ik Fido-net en Internet jaren geleden begon te verkennen en het World Wide Web en de eerste grafische browser nog uitgevonden moest worden.
Go: mail ingetikt, en, jawel, acht brieven vol leedvermaak en goede raad voor deze pechvogel. Die er alleen nog niet achter is hoe ze te beantwoorden vanuit die terminal-verbinding van waaruit ook het commando read all bleek te werken. Vandaar dat u nog niets van mij vernomen heeft.

Ik heb nog wel even overwogen om de DOS-versie van het mail-programma te downloaden omdat ik in die oude tikbak nou eenmaal geen floppies kan stoppen, maar ik ben maar afgehaakt toen bleek dat dat op 2400 baud 84 minuten zou duren. Bovendien zal ik vandaag of morgen wel een belletje krijgen dat ik die monitor weer op kan halen in ruil voor een volle Eurocheque, dus u wacht voor de verandering maar eens een dag of wat op antwoord.

Van verschillende lezers heb ik vernomen dat OS/2 zo ook zijn nukken heeft, en dat ze daarom weer teruggegaan zijn naar Windows 95. Ik beraad me nog op de suggestie van meneer Van Breugel voornoemd. Die vindt Windows 95 twaalf keer niks, maar hij heeft me desondanks een ruiltje voorgesteld. Hij draait een half jaar Windows 95 als ik zes maanden Linux uitprobeer. Ik heb er in principe wel oren naar, maar ik vrees dat ik vijf van die zes maanden nodig heb om dat spul aan de gang te krijgen en te leren kennen en is dat nou allemaal de moeite waard?

Andere opties: op Merlin wachten, de opvolger van OS/2? Terug naar Windows 3.11? Windows NT aanschaffen? Alles in de uitverkoop gooien en een Power Mac bestellen bij de Cyberian Outpost? Nee, ik ben tamelijk eigenwijs, en alleen daarom al ga ik gewoon door op de ingeslagen weg. Ik blijf een 95'er, maar als die gremlin zich nog één keer laat zien haal ik een dubbelloops jachtgeweer tevoorschijn. Hij is een gewaarschuwd beest.

Posted: March 2, 1996 08:46 PM (1293 words).   

Comment over here or on my Facebook wall . . .