logo-bns-app.png



« Linux: je van hét voor Internet? | Index | Voer voor cynici en sceptici »

March 15, 1996, by Léon Krijnen

Linux, Stattler & Waldorf   

Ik weet dat er enkele lezers zijn die nauwelijks hebben kunnen wachten op mijn bijdrage van deze week. Om te beginnen degene die me zo gek gekregen heeft om Linux op mijn systeem te gaan installeren en daarnaast de sceptici die mij mailtjes gestuurd hebben die er op neer kwamen dat ik me nog maar eens goed moest gaan bezinnen voor het beginnen. Wie heeft er nu gelijk? Dat weet ik nog niet, maar ik weet wel dat ik een stekende pijn aan mijn nek heb van het staren naar de monitor. Zodat ik in ieder geval één ding wijzer geworden ben: die monitor, hersteld en haarscherp, staat eigenlijk iets te hoog.

Dat na een eerste langdurige sessie Linux installeren. Dat besturingssysteem dat écht het neusje van de zalm schijnt te zijn, vooropgesteld dat je weet wat je allemaal aan het uitspoken bent tijdens de installatie. Ik moet bekennen dat ik dat niet helemaal precies geweten heb, want ik heb iets fout gedaan tijdens het partitioneren van mijn hard-disk.

Die heet nu, onder Linux, overigens geen C: meer, maar /dev/hda. Unixers en Linuxers weten wel wat ik bedoel en ze weten ongetwijfeld ook meteen wat er aan de hand is als ik zeg dat ik als een onnozele heb zitten klungelen met de partities.

Als huis-, tuin- en keukengebruiker met alleen maar zelf opgebouwde ervaring en kennis, moet ik gewoon weer even opnieuw vanaf nul beginnen. Al dat mettertijd uit mijn hoofd geleerde DOS-denken en -doen half of helemaal vergeten. Geen batch-files meer, maar scripts, leren hoe ik het basic input output system (bios) voor de gek moet houden en even goed tellen: maximaal 1023 cylinders in de eerste partitie, maar dan wel zoveel sectoren, enzovoort. Ik kom er wel uit. Het kan even duren, maar ik krijg dat kreng perfect aan het draaien, al dan niet zonder hulp van buitenaf, punt uit, zeker weten.

Het zit dus allemaal nog niet helemaal zoals het zou moeten zitten, maar ondanks die partitie die er niet precies uitziet zoals het zou moeten, heb ik het systeem wel kunnen verkennen. Het vloog niet echt, omdat ik alle programma’s nog vanaf de cd-rom moest draaien in plaats vanaf de hard-disk. Dat ik even hierboven zo stellig verkondig dat ik zeker weet dat ik de boel up-to-date krijg, komt voort uit het enthousiasme dat me tijdens die verkenning overvallen heeft.

Onder Xwindows, de grafische schil van Linux, krijg ik het gevoel alsof ik een proefritje aan het maken ben in een splinternieuwe luxe auto met alles erop en eraan. Airco, viertraps-automaat, overdrive, stereo, electrisch zonnedak, noem maar op. Ik heb een hoop toeters en bellen geprobeerd en ik word er vrolijk van, al zal die euforische stemming de komende dagen wellicht flink getemperd worden als ik verder worstel met de installatie, in tegenstelling tot die pijn in mijn nek.

Zal ik het n schrijven, of zal ik me nog even indekken? Vooruit met de geit: ik ben verkocht, ook al heb ik nog geen vijf procent van de mogelijkheden van Linux leren kennen. Wát een mooi en bliksemsnel programma, maar je moet er wél flink wat hoofdbrekens en, in mijn geval, nekkramp voor over hebben om het te leren kennen.

Wie mij volgen wil zal merken dat er nogal wat mankeert aan de installation-manuals. Die kloppen meestal niet helemaal en soms helemaal niet. Zie op zo’n moment maar iets bruikbaars te analyseren uit het verschil tussen wat er volgens de handleiding op je scherm zou moeten staan en wat je in werkelijkheid toegrijnst.

Ik ben begonnen met de Plug and Play versie van Ygdrassil omdat me dat de simpelste manier leek. Boek, twee cd-roms en een boot-floppy in één verpakking, dus je zou toch minstens mogen verwachten dat dat kwartetje naadloos op elkaar aansluit. Dat is maar gedeeltelijk zo, want veel windows die stap-voor-stap beschreven worden, blijken óf anders te zijn dan in het boek, óf ze worden overgeslagen. Wat niet wegneemt dat je, als je de cd-rom en de boot-flop in je computer stopt, binnen een kwartier een rudimentair Linux-systeem aan het draaien hebt.

Daar ligt mijn probleem dus niet, maar omdat die partitie er zo raar uitziet, heb ik nog geen zin om een paar uur te gaan zitten wachten terwijl het systeem, naar keuze, tussen de 250 en 600 megabyte programma’s weg zit te schrijven naar een hard-disk die halverwege zegt: bekijk het verder maar, ik zit vol. Dat omdat ik nog niet helemaal goed begrijp hoe dat zit met die partities en swap-files. Ik knok door, in de wetenschap dat er aan de zijlijn een blessurebehandelaar klaar staat die me te hulp schiet als ik hem roep. Voorlopig verbijt ik even de pijn, al was het maar omdat hij op dit moment belangrijker dingen aan zijn hoofd heeft dan het opstarten van een computer. Ik houd u op de hoogte van mijn vorderingen (hoop ik) met Linux.

Wie deze week down is, wie in mineur achter een computer zit die wel goed werkt, moet voor de aardigheid eens op bezoek gaan bij de Muppets. Zes jaar nadat zij, zwijgend en in tranen, afscheid moesten nemen van hun schepper Jim Henson, hebben Kermit en zijn makkers de aanval geopend op de computer. Via een mooie web-site en twee cd-roms.

De website: http://www.disney.com/MuppetTreasure. De twee schijfjes heb ik nog niet in de Nederlandse handel kunnen ontdekken, maar als ik de recensies in Newsweek en een paar Amerikaanse kranten mag geloven, dan zijn ze de moeite waard. Goed of slecht, ze zullen toch wel snel in Nederland belanden en dan kunnen we zelf oordelen. Wie dé Muppet cd-rom (Starwave, in Amerika 40 dollar) in zijn computer stopt, ziet ineens achter het glas van de monitor Kermit en de zijnen in zijn computer rondspoken. Aan u de taak om ze eruit te krijgen voordat ze de boel beginnen te slopen en de Zweedse kok met zijn hakmes de memory-chips in mootjes begint te hakken.

Een mooie variatie op de module Bad Dog, onderdeel van de screensaver After Dark. Dat stoute hondje trekt met zijn nagels gaten in de voorkant van je scherm, duikt erin en komt terug met zijn bek vol draden en transistors. Als hij eraan trekt en rukt, flikkert het scherm en begint alles te kraken. Bad Dog, zo realiseer ik me nu pas, heeft er mede toe bijgedragen dat ik een paar weken geleden pas laat, te laat, in de gaten had dat mijn monitor écht kapot aan het gaan was: ik dacht dat dat geflikker, gepiep en gekraak door hem veroorzaakt werd. Het is maar goed dat Statler en Waldorf, die twee oude knakkers op het balkon bij de Muppets, deze rubriek niet lezen. Ze zouden er waarschijnlijk in blijven....

Tenslotte heb ik goed nieuws over monitors gelezen. Wie daar, net als ik, vaak achter zit, weet een goede op zijn juiste waarde te schatten. Twee dingen zijn belangrijk: de snelheid waarmee het beeld ververst wordt en de grootte van de puntjes waaruit dat beeld opgebouwd wordt. Een hoge verversingssnelheid geeft een flikkervrij beeld en hoe meer puntjes, hoe scherper. Het aantal puntjes wordt uitgedrukt in dots per inch (dpi), punjes per vierkante inch, en dat is iets meer dan 2 1/2 bij 2 1/2 centimeter. De betere kleurenprinters, altijd scherper dan een monitor, komen aan 600 dpi. En wat lees ik? Xerox Parc is bezig met de ontwikkeling van een platte display met zeven miljoen dpi. Zeven miljoen van die gekleurde puntjes op een vierkante inch.

Dat zal wel lekker scherp zijn, maar wat voor een prijskaartje zou daaraan komen te hangen? Een cent per duizend pixels? Dienaangaande een vraag voor de liefhebbers: hoeveel pixels staan er op een gemiddelde monitor? Mail mij, en misschien krijgt u wel antwoord als ik in de loop van volgende week het PPP- en mail-circus onder Linux aan de gang gekregen heb. Duim met mij mee, misschien helpt het.

Posted: March 15, 1996 08:51 PM (1314 words).   

Comment over here or on my Facebook wall . . .