logo-bns-app.png



« Compuserve: genoeg is genoeg | Index | Hoe kom ik aan http://leon.com? »

July 27, 1996, by Léon Krijnen

Zes miljoen bits per seconde . . . .   

Hij heeft me het een en ander losgemaakt, mijn elektronische jammerklacht van een week geleden waarmee ik de deur van mijn brievenbus bij Compuserve met een harde klap achter me dicht geslagen heb. Zonder mezelf op de borst te willen slaan kan ik u desondanks met enige trots mededelen dat slechts twee reacties er zo ongeveer op neer kwamen dat ik een negatieve zeurpiet zou zijn.

Hoe ze daarbij komen snap ik absoluut niet, maar dat interesseert me eerlijk gezegd ook geen zier. Wat ik intussen natuurlijk wel met een steeds glimmender gezicht al een paar keer gelezen heb is de inhoud van de inbox van dat uitstekende mail-programma van Netscape, uitpuilend met bijvalsbetuigingen.

Die ga ik niet, zoals ik met mijn kwade attest van vorige week wel gedaan heb, in het NL Computer-forum van Compuserve parkeren. Want dan ben ik ook volgende week weer dagenlang bezig met het verspillen van tijd en moeite in een oeverloze discussie waar ik allang geen zin meer in heb.

Mijn punt is duidelijk en wie het er niet mee eens is worstelt maar lekker door met zulke abominabele verbindingen dat hij met een koppeltje postduiven waarschijnlijk sneller geholpen zou zijn. Maar wie, zoals het duo dat schreef mij een zanikerd te vinden, zelf zeer tevreden is met de diensten van Compuserve, die heeft mijn zegen. Ieder het zijne, ik het mijne, en dat is geen Compuserve meer.

Iets heel anders. Iedere systeembeheerder besteedt een substantieel gedeelte van zijn tijd aan de beveiliging van zijn domein. Doet-ie dat niet, of niet voldoende, dan gebeuren er vroeg of laat ongelukken en beginnen er in de krochten en spelonken van zijn systeem grappenmakers rond te spoken waarvan hij alleen maar mag hopen dat ze geen kwaad in de zin hebben.

Zolang ze er geen puinhoop van maken heb ik oprechte bewondering voor die hackers die opereren op een niveau dat ik wel nooit zal bereiken. Nee, niet omdat ik daar te stom voor ben, dat had u best hardop mogen zeggen, maar alleen maar omdat ik er niet genoeg tijd voor heb.

Ik probeer, zomaar voor de gein, ook wel eens de voor mij ontsloten terreinen op de servers waar ik toegang heb, te betreden. Meestal, eh... vooruit, ik geef het toe, het lukt me nooit. Hoewel ik u kan mededelen, alweer even op die borst slaan, dat ik een desbetreffende systeembeheerder toch al een keer heb mogen attenderen op iets wat volgens mij niet op die manier geregeld zou moeten zijn. Hij zag het probleem niet. Goed, dan ga ik niet zitten welles-nietesen omdat ik er maar van uitga dat hij er meer verstand van heeft dan ik, maar als er straks iets fout gaat zal ik toch wel even heel hard lachen.

Ik heb al wel eens, gezellig op mijn eigen PC thuis, een levensgroot gat in de fire-wall van een zogenaamd goed beveiligde server mogen aanschouwen. Notabene een van de grotere providers in Nederland. Nee, ik zeg niet welke, en Compuserve was het niet, om misverstanden en verdachtmakingen te voorkomen. Dat was eind maart toen die Linux-hacker, die beloofd heeft binnenkort weer eens langs te komen om de nieuwste versie van Linux en XWindows te installeren, voor de eerste keer een hele dag nodig had om dat moeilijke speelgoed aan de praat te krijgen op mijn systeem.

Tussen de bedrijven door belde hij even in bij de desbtreffende provider, wandelde met wat achteloze toetsaanslagen over de hard-disks op de server, en haalde een knots van een bestand binnen. `Kijk`, zei hij, alsof hij een ordinaire help-file te paken had, `hier heb je het complete gebruikersbestand, mèt alle passwords. Dat noemen ze daar beveiliging...`.

Hier op de krant kennen we dat soort problemen niet omdat we voor alles wat met Internet te maken heeft, van een externe server gebruik maken. Er is dus geen vaste verbinding met de veelheid van systemen waarmee op de krant gewerkt en Internet. Dat heeft als nadeel dat alles wat op de De Stem Online staat, daar via een modem terecht gekomen is en dat gaat niet sneller dan een 28K8 modem vooruit wil. Voordeel is dat we zelf niets met de beveiliging van doen hebben, dat zoeken de bewaarders van de server maar lekker zelf uit. Vroeg of laat vervallen echter zowel voor- als nadelen omdat we waarschijnlijk al binnen een paar maanden al over een vaste internet-verbinding beschikken.

Ik weet niet of u als eens een keertje heeft mogen surfen met een computer die met een verbinding van, pak `m beet, twee megabit per seconde pagina`s ophaalt, maar ik kan u verzekeren dat u de smaak daarvan snel te pakken heeft. En dat het daarna maar behelpen is met een 28K8 modem. Wat mij betreft kan die verbinding derhalve niet snel genoeg aangelegd worden, waarna ik overigens waarschijnlijk weer een beetje minder thuiswerker word dan nu het geval is.

Hoewel ook dat weer snel zou kunnen veranderen, want de technieken veranderen, verbeteren en vernieuwen zo snel dat ook ik af en toe met mijn mond vol tanden sta als iemand achteloos de honderdduizendste afkorting in computerland laat vallen. ADSL is het laatste toverwoord, en het staat voor Assymmetric Digital Subscriber Line. Een maand geleden had ik nog nooit van ADSL gehoord, en nu duikt het begrip overal op.

De aandacht ervoor ik begrijpelijk want als ik u vertel dat met ADSL zes megabit per seconde over een gewone telefoonlijn gejaagd kan worden verslikt u zich in de koffie. Zes miljoen bits per seconde! Je zal maar net een ISDN-kaartje aangeschaft hebben dat 64 of 128 kilobit per seconde aankan, voel je jezelf toch een beetje bekocht. Goed, modems die ASDL hanteren liggen nog niet in de winkel, maar als het aan AT&T ligt, is dat nog maar een kwestie van tijd. De desbetreffende modems worden op dit moment getest en zouden eind volgend jaar op de markt moeten kunnen verschijnen.

Het gaat te ver om hier de achterliggende techniek te expliceren, al was het alleen maar omdat ik er zelf niet al te veel van snap. In het kort gaat het erom dat ASDL gebruik maakt van hoge frequenties die over een telefoonlijn gejaagd kunnen worden, terwijl intussen ook nog lagere frequenties benut kunnen worden. Terwijl die zes miljoen bits per seconde binnenvliegen kan over hetzelfde koperdraadje dus ook nog een ouderwets telefoongesprek gevoerd worden.

Zo simpel als in de vorige drie alineas is het nu ook weer niet. Er zit een vervelende beperking in de techniek, want het spul werkt alleen maar binnen een straal van maximaal vijf kilometer van een telefooncentrale. Dat doet mij bijzonder veel deugd, want vanuit mijn werkkamer kan ik die aan de Oude Vest in Breda zien. Daarom stonden ze destijds trouwens binnen drie minuten met zes man heel kwaad voor de deur, toen ik tijdens een verbouwing per ongeluk 220 volt op de telefoonlijn gezet had, maar dat even terzijde.

Laat maar komen dus, dat super-mega-turbo-modem, dat over anderhalf jaar wellicht de zoveelste dode mus blijkt te zijn. Het zal wel werken, daar ben ik niet bang voor, maar tegen die tijd zitten we waarschijnlijk met zijn zovelen met allerlei snelle verbindingen aan dat Internet te rukken en te trekken dat het weer ergens anders fout zal gaan.

Ik heb de afgelopen drie woensdagavonden ademloos zitten kijken naar die televisie-serie over hoe die gekte die ons uiteindelijk allemaal bevangen zal, begonnen is. Hoe Apple groot geworden is en nu op de rand van de afgrond balanceert. Welke kansen voor open doel Xerox en IBM hebben laten liggen. Het ongelooflijke inzicht van Bill Gates, die 50 dollar op zijn rekening bijgeschreven gekregen heeft voor iedere PC, waar ook ter wereld, waar een legitieme versie van DOS op draait. Waarmee Gates, de vader van alle nerds, de rijkste man op aarde geworden.

En wat zei die nog steeds jongensachtige tycoon aan het eind van het laatste programma? `Niemand weet hoe het Internet en alles wat ermee samenhangt, er over drie maanden uit zal zien, laat staan over een jaar...`.

Als Bill Gates het niet weet, moet !k dan nog iets voorspellen? Ik kijk wel lelijk uit, maar laat dat turbovmodem maar komen. Zo snel mogelijk......

Posted: July 27, 1996 09:50 PM (1362 words).   

Comment over here or on my Facebook wall . . .