logo-bns-app.png



« Christine: hoe virtueel wordt mijn realiteit? | Index | De Y2K-gekte: bescherm uw overlevingspakket »

March 27, 1999, by Léon Krijnen

Internet-cafés in Las Vegas: wegwezen!   

Het was natuurlijk om problemen vragen, dat stukkie van vorige week over het tegenwoordige gemak van 'internet on the road'. Vergeten af te kloppen tijdens het schrijven, en misschien alleen al daarom afgestraft. Of was ik gewoon even vergeten was dat Amerika en Californië twee verschillende dingen zijn? Aan de westkust wonen zoveel mensen, dat er in ieder gat een POP (point of presence) van UUnet is, zodat tegen het lokale tarief, en dat is in Amerika gratis, overal de laptop aan internet gehangen kan worden, zo schreef ik vorige week enthousiast. En traveler-cheques heb je tegenwoordig ook niet meer nodig, voegde ik er aan toe.

Dat klopte allemaal, tenminste in Santa Monica, Venice en Anaheim, maar een dag later was het in Nevada een heel ander verhaal. Vijf uur rijden naar het oosten bleek internetten in dat gloeiende gekkenhuis in de woestijn vrijwel onmogelijk. En kwam er ook vierentwintig uur lang geen dollar uit de muur, omdat er een bug in de verbinding tussen de Amerikaanse en Nederlandse banken zat.

Dat kwam de volgende morgen weer goed, maar mijn internet niet. Het leek er op alsof de hotelcentrale zo geschakeld was, dat-ie geen kiestoon gaf, zodra de telefoon vervangen wordt door een computer plus modem. Dat had ik vaker aan de hand gehad, dus er een splittertje tussen gezet, dat bij Radio Shack vier dollar kost.

Resultaat: Toshiba herkende het kiestoontje niet. Na een uur pielen heb ik het opgegeven, op zoek naar de redder in nood: het internet-café. In Las Vegas, een van de snelst groeiende steden van Amerika, met iedere maand ongeveer 5000 nieuwe gelukszoekers die er zich permanent vestigen, wonen iets van anderhalf miljoen mensen. Terwijl er constant een paar honderdduizend toeristen, congresgangers en gokkers rondlopen, mag je minstens een paar internet-faciliteiten verwachten. Mooi niet dus. Wel een pagina of twintig in de gouden gids onder 'internet', maar dat waren of service-providers, of web-builders.

Uiteindelijk werd ik bij CompUSA, waar ik een 56K6 modem-kaartje voor de Toshiba gekocht heb, door de verkoper uit de droom geholpen: 'mag niet van de casino's'.

Wablief?

'Er zijn een paar pogingen geweest om een internet-café te beginnen, maar die zijn door de eigenaren van de casino's de nek omgedraaid. Die willen geen internet-faciliteiten voor toeristen, want dan komen er casino's met internet-computers, waar gegokt wordt op virtuele casino's, die elders het geld verdienen, dat nu aan hun neus voorbij gaat'.

Dat was me duidelijk, ook al omdat ik de film 'Casino' met Robert de Niro gezien heb, en daardoor een idee heb van de methodes waarmee casino-eigenaren hun argumenten onderstrepen. Vooral dat beeld van die Ier die niet wilde praten, ook niet met zijn kop in een bankschroef, is me bijgebleven.

Op naar Utah. Daar waren de problemen een dag later van een andere aard, maar net zo onoverkomelijk. De mormomenstaat is zo dunbevolkt dat een gebied ter grootte van Frankrijk door hetzelfde netnummer bediend blijkt te worden. Da's meegenomen als je buurvrouw vierhonderd kilometer verderop woont, maar het schiet niet op voor een reiziger in cyberspace zonder lokaal inbelnummer. Want dan moet je 'long distance' gaan inbellen, maar die mogelijkheid is door de motels stevig afgetimmerd. Overal kun je gratis lokaal bellen, door eerst een 9 en daarna het nummer te draaien, maar 'long distance' alleen maar via een credit-card of via een operator van AT&T. Probeer dat die Toshiba maar eens wijs te maken. Weliswaar zit er in het netwerk-protocol van Windows 98 een dergelijke mogelijkheid, meer werken ho maar. Ik ben nog aan een pieptoon bij UUnet toegekomen, maar verder niet. Dat u dit geweeklaag wel kunt lezen, komt omdat ik nu in Denver zit, en daar kan weer keurig lokaal ingebeld worden. Ergo: ik zal minstens een keer in de week moeten zorgen dat ik niet te ver van een grote stad overnacht. Hoe alles ooit goed zal komen heb ik in het nieuwste boek van Tom Clancy kunnen lezen. Het is het vierde boek uit de serie 'Net Force Explorers', een reeks vingeroefeningen van Clancy over virtuele realiteit. Veel minder diepgaand en ook veel korter dan zijn politiek-militaire thrillers. Minder goed geschreven ook, snel geproduceerde gedachtenspinsels over tot wat het net, computers, en virtuele realiteit zich zouden kunnen ontpoppen, maar wat een een fascinerend toekomstbeeld.

'The Ultimate Escape' speelt in 2025. Over zesentwintig jaar regeert het internet volgens Clancy de wereld. Het wordt door de 'Net Force' beschermd, om te voorkomen dat het door terroristen misbruikt of gesaboteerd wordt. De 'special forces', zeg maar de elite-commando's van Net Force zijn de 'Explorers', whizz-kids die met goed gevolg een zwaar trainingsprogramma hebben doorlopen. Hun opleiding begint al vroeg, en, zoals dat tegenwoordig ook al gaat, sommigen zijn op hun dertiende al een stuk verder dan afgestudeerde IT'ers.

Een van de dingen die Explorers moeten leren is vliegen. Virtueel vliegen, in toestellen en oorlogen uit heden en verleden. In 2025 zijn computers en programma's zo krachtig dat de virtuele werkelijkheid niet van de dagelijkse te onderscheiden is. Ik kan me daar iets bij voorstellen, omdat de simulators waar nu 747-gezagvoerders in trainen, al zo levensecht zijn. De Explorers vechten in de simulators in het Smithsonian Institute in Sopwith Camels tegen Duitse studenten in hun Fokker driedekkers. Beeld, geluid, beweging, alles is zoals het in 1918 was. Zelfs de stank van de dood stijgt ze naar de keel als ze laag over de slagvelden van Marne en Sonne vliegen. De Duitse jongens, in hun superieure Fokkers, zitten in een universiteit in Duitsland, via het net komen ze elkaar tegen.

Wie wel eens op zo'n bijeenkomst van de whizz-kids van tegenwoordig is geweest, waar ze elkaar in netwerkspelen als Duke en Quake overhoop proberen te schieten, begint iets te begrijpen van wat dat straks allemaal zal worden.

Clancy beschrijft hoe na afloop van de veldslag gezamelijk geëvalueerd wordt, door de deelnemers holografisch bij elkaar te brengen. Daarmee wordt het 'beam me up Scotty' uit Star Trek werkelijkheid. Iemand wordt misschien niet echt in moleculen ontleed en overgezonden, maar wat maakt dat uit als het drie-dimensionale virtuele beeld niet van de werkelijkheid te onderscheiden is?

Een levensecht voorproefje daarvan, met de beperkte technische mogelijkheden van 1999, is in Disneyland te zien. De holografische voorstelling met Michael Jackson, die een jaar of tien gedraaid heeft, is vervangen door een verbazingwekkende, hilarische show, gebaseerd op de film over de verstrooide wetenschapper die zijn kinderen per ongeluk krimpt. Wie die boa-constrictor zijn kop, ter grootte van een vrachtwagen, tot aan de achterste rij de zaal in heeft zien steken en sissend en spugend open zien sperren, kan zich iets voorstellen van waar het heen zal gaan.

Het moge duidelijk zijn dat de Net Force Explorers met telefoondraadjes, operators en 'long distance-calls' niets meer te maken hebben, dus wat dat betreft mag 2025 van mij morgen aanbreken.

Posted: March 27, 1999 12:26 PM (1133 words).   

Comment over here or on my Facebook wall . . .