Is de tijd eindelijk rijp, en moet ik thuis nu wel of niet overstappen op ADSL? Ga ik er op vooruit, of is het alle goden in cyberspace verzoeken om nieuwe problemen? Twee collega's die inmiddels over zijn, bezweren me dat het allemaal loopt als de brandweer, en dat er niks mis mee is.
Daar komt nog bij dat een lezer, die zich professioneel bezig houdt met webdesign en hosting, en die ik daarom iets meer vertrouw dan mijn collega's, ook al dik tevreden blijkt te zijn met zijn ADSL-abonnement. Hij had wel wat problemen met het verkrijgen van de aansluiting, via KPN. De aanvraag ervoor zat kennelijk ergens in een verstopte pijplijn.
Dat verhaal komt mij bekend voor. Vier jaar geleden vroeg ik bij KPN een ISDN-2 verbinding aan, en ook dat wilde in eerste instantie niet erg vlotten. Nadat ik een week of vijf niets had gehoord maakte ik in deze column een paar vervelende opmerkingen over de slagvaardigheid van KPN. Dat bleek te helpen. Op maandagmorgen meldden zich twee monteurs aan mijn voordeur, waarna ik binnen een half uur een werkende ISDN-connectie had. Die heeft me de afgelopen vier jaar louter plezier opgeleverd, waarbij mijn twee providers niet onvermeld mogen blijven: Euronet en UuNet.
De corebusiness van de eerste is de modale surfer, terwijl voor UuNet de zakelijke markt hoofdzaak is. Daardoor is Euronet overdag altijd de snelste, en UuNet s'avonds. Loopt een van de twee iets langzamer dan ik wenselijk acht, dan gooi ik hem van de lijn af, en schop ik de ander aan. Mijn ervaring is dat op de momenten dat de een wat minder hard loopt, de andere altijd snel is.
Downloadsnelheden? Daar moet u me niet naar vragen, want daar let ik nooit op. Ik surf op gevoel, en als het lekker loopt, dan is het goed. Dat is de mooiste ervaring die ik overgehouden heb aan mijn bijna aflopende detachering in Amsterdam, waar we met een mens of vijftig een vette pijplijn van 2 megabyte per seconde mogen delen. Daar wordt een surfertje verwend van. Het gevolg is dat je, waar je ook zit te werken, het gevoel hebt dat het niet op wil schieten, waardoor ik me bijna gedwongen voel om thuis aan de ADSL te gaan.
Ik ga me niet halsoverkop in dat avontuur storten. Eerst een even rustig rondkijken, vragen en lezen. Die tactiek heeft me vier jaar geleden ook geen windeieren gelegd. Vooral door veel lezen, in magazines, in forums, in nieuwsgroepen, kwam ik tot de conclusie dat ik nooit een interne ISDN-kaart zou moeten kopen, maar een externe ISDN-modem.
Vooral Windows (what's new?) bleek toen - en heeft volgens mij nog steeds - grote problemen met interne ISDN hardware. Met de externe Zyxel die ik toen gekocht heb, was het een kwestie van stekker in de kast steken, programmatje installeren, en surfen.
De Zyxel werd niet alleen probleemloos herkend en geaccepteerd door Windows 95, 98 en 2000, maar ook door verschillende smaken Linux - Mandrake en Red Hat - en werkt nog steeds onder BeOS, dat op de machine, waar ik nu op zit te tikken, naast Windows 2000 draait.
Zowel via Euronet als UuNet - ik vermoed dat ik in beide gevallen uiteindelijk bij KPN terecht kom - kan ADSL aangevraagd worden. Maar er zijn veel meer mogelijkheden. Als u er ook over denkt: tik maar eens simpel 'ADSL in Nederland' in als zoekstring bij google.com. Dan krijg je een lijst verwijzingen voor je neus waar je wel even zoet mee bent. De bovenste link wijst naar telecomdavies.nl, met een compleet overzicht plus prijsvergelijkingen van alle ADSL-aanbieders in Nederland.
Een van de url's brengt me naar de importeur van Zyxel in Nederland. Wat lees ik daar? 'ZyXEL producten zijn geschikt voor alle ADSL and Kabel aansluitingen in Nederland, nu ook met MXstream en ADSL ondersteuning'. Dat doet me deugd. Als die ADSL-Zyxel net zulke goede rapportcijfers krijgt als zijn ISDN-voorganger, dan ben ik snel over.
Posted: June 30, 2001, 01:54 AM | Comments (0) |
Volgens Wired komt het allemaal goed. Wired weet het, Wired weet alles. Het gaat het blad goed, en als het goed gaat ligtzelfingenomenheid op de loer. In de IT gaat het ook te goed, al is dat maar hoe je het bekijkt. Het gaat namelijk meestal helemaal niet zo goed met de techniek, en juist daarom krijgen ze IT'ers niet aangesleept.
Starters profiteren van die overspannen markt. HBO, Technische Universiteit, avondcursussen voor een Microsoft Certificate, afgerond en geslaagd of niet, dat maakt geen moer uit. Iemand die de start-button van een computer in kan drukken of twee netwerkkabels aan elkaar kan knopen, kan vanmiddag nog aan de slag als netwerkbeheerder.
Om kwaaie koppen te voorkomen: ik zeg er onmiddellijk bij dat dit stigma niet past op de IT'ers waarmee ik te maken heb. Dat zijn zonder uitzondering pientere, vriendelijke, technisch begaafde tovenaars. Ze slagen er altijd weer in om via onbegrijpelijke kunstgrepen mijn machines aan het netwerk te knopen als ik weer eens iets gedaan heb wat niet mag. Ze herstellen alles bliksemsnel zonder morren en klikken niet tegen mijn baas. Allemaal tevreden? Mooi zo. Misschien moet ik de politiek in.
Dat imago van IT'ers heb ik niet verzonnen, er stond een stukje over in de laatste Intermediair. Het blad heeft onderzocht hoe IT'ers zichzelf zien en de uitslag druipt van zelfingenomenheid. Zo ziet een procent of zeventig zichzelf als het allerbeste jongetje van de klas. Verder zijn ze er zonder uitzondering rotsvast van overtuigd dat de overspannen arbeidsmarkt niets heeft bijgedragen aan het bereiken van de ingenomen positie. Van mazzel hebben ze kennelijk nooit gehoord, nee, ze weten absoluut zeker dat ze er gekomen zijn door hard werken, gekoppeld aan een overdosis talent en doorzettingsvermogen.
Ik zeg er maar gelijk bij dat ik bij een hinderlijk groot aantal van mijn schrijvende collega's dagelijks dezelfde misvattingen bespeur, dus misschien is het tijd voor een soortgelijk onderzoekje onder ons. Kan leuk worden.
Terug naar Wired dat het nog steeds voor de wind gaat, zelfingenomenheid tot gevolg. Die druipt er iedere maand steeds meer vanaf. De moeder van alle magazines die iets met internet te maken hebben heeft de twintigste eeuw uitgeluid met de voorspelling dat alles prachtig, fantastisch en veelbelovend zou worden. Lullig voor het blad dat met het bereiken van deze eeuw de hele dot.com wereld pardoes in elkaar gedonderd is, maar Wired zit daar niet mee.
Optimism pays prijkt parmantig op de omslag, ingebouwd in het logo. Ik hoop dat ze gelijk krijgen, maar dat optimisme is door hoofdredactrice Katrina Heron tot tot een irritante religie verheven. Andy Grove, een van de oprichters van Intel, glimlacht de wereld zalvend toe, in een pauselijke pose: Believe in the internet more than ever. Optimisme te over in de twee andere omslagverhalen. Eentje over de veertig bedrijven die de crisis gaan overleven, en een over de luchtvaartmaatschappij van Warren Buffet, die niet kapot kan gaan.
Misschien kan het geen kwaad om voor honderd dollar aandelen in ieder van die veertig bedrijven te stoppen, die het volgens Wired helemaal gaan maken. Ook al is tot nog toe niets van een Wired-effect gebleken, dat de koersen omhoog stuwt.
Het Gilder-effect bestaat wel. Op de website van George Gilder kunt u zich abonneren op zijn nieuwsbrief. Voor 295 dollar per jaar krijgt u iedere maand een technologie-report. De 70.000 abonnees van die nieuwsbrief stuwen de koersen van de genoemde bedrijven meteen omhoog. De tips van Gilder moeten die beleggers dus meer opbrengen dan de 21 miljoen dollar per jaar die hij ervoor vangt.
Onder die 70.000 zullen er ongetwijfeld zijn die de tips als een kettingbrief het net opschoppen, teneinde het effect te versterken. Ik denk erover om een abonnement te nemen. Iedereen die me een tientje geeft krijgt een kopie. Aanmelden op mijn website.
Posted: June 23, 2001, 01:56 AM | Comments (0) |
Ik ben geen spreker, maar schrijver. Ik geef toe dat ik soms jaloers ben op collega's die op een feestje een microfoon grijpen en praten tot ze afgeschoten worden. Het is niks voor mij. Als ghostwriter zou ik wellicht een aardig belegde boterham kunnen verdienen, maar vraag me niet om een gezelschap toe te spreken. Dat wordt niks, en het zal ook nooit iets worden.
Ook niet met hulpmiddelen, zoals de overhead projector, schoolbord, spiekbriefjes of sheets. Een stukkie schrijven is leuk, zolang er geen eindredacteur in je nek staat te hijgen over een naderende of gepasseerde deadline. Ben je daar nog ver vanaf, dan is het met een tekstverwerker lekker schuiven, knippen en plakken met woorden, zinnen en alinea's. Net zolang tot het iets aanvaardbaars is, waarna je maar af moet wachten wat de eindredacteur er van over laat. Soms ben ik dankbaar voor de stijlfouten of stommiteiten die eruit gehaald zijn, soms ontgaat me de zin van de verbeteringen.
Deze schoenmaker houdt zich bij zijn leest, en doet niet aan toespraken. Deed iedereen dat, dan voorkwam dat een hoop kromme tenen, zeker in het tijdperk van Power Point. Een pracht van een programma, maar het verdoezelt de onkunde van de presentator. Ik heb de meest fantastische presentaties gezien, met mooie afbeeldingen en welluidende klanken. Maar al te vaak bleef na de laatste dia die ene prangende vraag onbeantwoord: waar ging het eigenlijk over?
Nou is dat laatste op zich niet alleen het gevolg van het gebruik van Power Point. Luister in een zaaltje naar een bevlogen orator die met bezieling kan vertellen over, bijvoorbeeld, politiek of literatuur. De overgebrachte bevlieging blijft hangen, tot je een dag later de aan de uitgang overhandigde print nog eens naleest. Was dat nou alles? De manier waarop de boodschap gebracht werd bleek na afloop toch meer invloed gehad te hebben dan de kale inhoud.
Met Power Point kun je, zonder als Brugman geboren te zijn, als het moet zonder een boodschap nog een pakkende presentatie verzorgen. Pobeert u het zelf maar eens, als u het complete Office pakket op uw computer heeft staan. Zet de wizard aan het werk, laat hem een pagina of tien produceren, laat de standaard teksten staan, of stop er gewoon 'aap, noot mies' in, en gooi er wat beeld, geluid, zachte overgangen en mooie kleuren tegenaan. Tsjakkaaaaaa! Applaus!
Een leraar van een technische school in New York, zo blijkt uit een ingezonden brief in de New York Times, heeft het niet meer zo op Power Point. Deze Kevin Stevens was zeer onder de indruk van het audio-visuele geweld dat zijn studenten in de hoogste klas tijdens hun presentaties in de aula demonstreerden. Totdat hij in een helder moment besloot om een berekening op de content los te laten. Op de desbetreffende school kregen de studenten twee weken de tijd om van een willekeurig onderwerp een presentatie te maken. Het gemiddelde aantal woorden dat per presentatie gebruikt werd, bleek 77 te zijn. Dat is zo ongeveer de eerste alinea van het stukje dat u nu zit te lezen.
Na enige aanvaringen met de eindredactie zijn we na stevig onderhandelen tot een beide partijen bevredigend (nou ja) resultaat gekomen. Deze rubriek moet wekelijks op dondermorgen klaar zijn, en dan mag-ie niet meer dan 700 woorden in beslag nemen. Misschien moet ik toch eens aan Power Point. Als die studenten erin slagen om met 77 woorden dikke voldoendes te behalen, dan moet ik met die 700 woorden een presentatie in elkaar kunnen flansen waar iedereen plat van achterover slaat.
Marshall McLuhan schreef al in 1966 dat het medium de boodschap was geworden. De Canadase media-goeroe, die de opkomt van de personal computer en internet niet meer heeft meegemaakt (hij overleed op oudjaar 1980) waarschuwde voor de invloed van de leegheid van televisie op de baby-boomers.
Van Power Point, Flash, Shockwave, animated gifjes, pop-upjes, buttons en banners had McLuhan geen weet. Maar medium is eens te meer message, met Power Point als belangrijkste wapen van hen die niets te vertellen hebben.
Posted: June 16, 2001, 02:01 AM | Comments (0) |
Een identiteitscrisis zou ik het niet willen noemen, maar wat zijn wij internetredacteuren nou eigenlijk aan het doen? Voor wie, onze vakbond gezegend en geprezen, een webstatuut in de maak is. Waarin de duiding van wat redactioneel, commercieel of des duivels beschouwd is, en de scheidslijnen daartussen, vastgelegd gaan worden.
Een digitaal magna carta, waaraan de betrokken partijen zich commiteren. `Kan ik eindelijk`, zo hoorde ik pas geleden een misschien iets te enthousiaste internetredacteur roepen, `de commercie terug naar hun hok schoppen als ze weer met hun poten aan onze site proberen te komen`.
Internetredacteur is zowel een vak als een status aparte. De functie is zo nieuw dat nog niet vaststaat wat wel en wat niet hoort, hetgeen dagelijks tot verrassende verwikkelingen leidt. Wat rondom het papier al begin vorige eeuw afgebakend was, moet voor de digitale editie nog afgesproken worden.
Het komt goed. Er is inmiddels een sectie internet opgericht binnen de vakbond van journalisten, het webstatuut is in de maak. Wat er precies in komt te staan, lezen we tezijnertijd, maar een ding is zeker: het gaat veel verspilde tijd voorkomen.
Het grootste voordeel van het statuut is dat het merendeel van alle discussies maar een keer gevoerd hoeft te worden, inplaats van iedere keer. Iedere dag opnieuw, als een van de twee partijen meent iets uit te moeten gaan spoken op het gezamenlijke platform, de website.
Met statuut zal het gekibbel mettertijd vanzelf verminderen, al zal het nooit verdwijnen. Ook de beschikbare oppervlakte van de voorpagina van de papieren krant wordt soms nog via levendige discussies verdeeld. De advertentieverkoper die een aantrekkelijk contract in de wacht gesleept heeft probeert een paar millimeter over de schreef te gaan, waarop de waakhonden van de redactie de hakken in het zand zetten.
Het afbakenen van de territoria is een belangrijke zaak, maar mij interesseert ook de identiteitscrisis waar dit stukkie mee begon. Wat is een internetredacteur? Is dat iemand die over internet schrijft. Of iemand die voor internet alleen schrijft? Wat is een webeditor? Moet een internetredacteur alleen maar verstand van internet te hebben en er een leesbaar stuk over kunnen produceren?
Of is het iemand die een website onderhoudt? Hoeft hij dan alleen maar happen tekst van het redactionele systeem over te kunnen hevelen naar een content management systeem? Of moet moet hij vloeiend HTML, Unix, Perl, PHP, C++ en XML kunnen spreken, en ook nog een tovenaar met Photo Shop, Fireworks en Dreamweaver zijn?
De content van de krant wordt geproduceerd, nagekeken en afgeleverd aan de drukkers vanuit een aantal verschillende disciplines: verslaggeving, layout, eindredactie, fotografie en beeldredactie. Door die pilaren wordt de redactie van iedere krant gedragen.
Een verslaggever schrijft teksten, de eindredactie haalt de fouten eruit, zorgt dat de lengte klopt, laat de kopsuggestie staan of maakt er een andere van, de fotograaf levert beeld aan, de beeldredactie haalt die productie door PhotoShop, en de opmaakredacteur schuift alles in elkaar tot wat u nu in handen heeft. Als u dit tenminste niet op uw monitor vanaf de website zit te lezen.
De internetredacteur doen alles wat hierboven beschreven staat, en nog veel meer. Actuele stukken schrijven en redigeren, beeld, geluid en video produceren en redigeren, en layouten vanuit een HTMLeditor, Dreamweaver of een content management systeem. Het gastenboek, het forum en de chatbox in de gaten houden, waar lolbroeken of rascisten misbruik van proberen te maken. Tientallen emails per dag beantwoorden of doorsturen.
Voor hen die van hun hobby hun beroep gemaakt hebben: heerlijk hacken van scripts, in php, perl of cgi. Soms tot diep in de nacht blijven wroeten tot dat stomme programma op die verdomde Linuxserver eindelijk lopen wil. Ik vind het allemaal verrekte leuk, maar vraag me niet wat ik doe. Wat is een internetredacteur?
Posted: June 09, 2001, 02:03 AM | Comments (2) |
Bedankt voor alle goedbedoelde waarschuwingen over virussen, maar wilt u er alstublieft mee kappen? Allemaal verspilling van de beperkte bandbreedte waar we het mee moeten doen. Bovendien is het wat mij betreft `dikke bult` voor iedereen die er last van heeft want die heeft nog geen virusscanner geinstalleerd: eigen schuld.
Dat gezegd hebbende: ik doe het thuis al jaren zonder virusscanner, en - al ben ik nu wellicht alle goden aan het verzoeken - ik heb nooit ergens last van. Ik kreeg het heen en weer van Norton Anti Virus, omdat het zich overal mee meende te mogen bemoeien, en mijn systeem danig vertraagde. Levensgevaarlijk, zegt u, zonder zo`n digitaal condoom surfen?
Valt wel mee, als je maar zorgt dat de virussen je computer niet kunnen bereiken, of de besmette bestanden niet opent. Zelf doe ik dat door te telnetten naar mijn mail-server, en daar alles weg te donderen wat er verdacht of overbodig uitziet. Dat is ongeveer tachtig procent van wat er in mijn postbus terecht komt. Let wel: de postbus zit niet in mijn computer, als postbus beschouw ik mijn eigen mailserver. Het voordeel van dit ritueel is dat je zelf bepaalt wat er wel of niet vanuit de postbus door de brievenbus in je eigen computer terecht komt.
Geen eigen mailserver? Bel de helpdesk van uw provider, en vraag ze - als u ze tenminste te pakken krijgt - of u met uw account ook telnettoegang heeft. Als uw provider op Unix of Linux draait, en de meesten doen dan, dan is het vaak zo geregeld dat u telnetaccess heeft.
Ik telnet om meerdere redenen. De belangrijkste: de computer, waar je achter zit, is op dat moment een terminal van de computer van je domein geworden. Reuze handig om je website te onderhouden, maar kijk uit, want in Unix en Linux is ieder commando onherroepelijk. Het is ook een sentimental journey, terug naar begin jaren negentig, met de eerste aarzelende stappen op internet, toen het web er nog niet was en de browser nog uitgevonden moest worden.
Als je in telnet aanlogt krijg je een zwart scherm voor je neus, met alleen een prompt. Je tikt het woord mail in, of elm, of pine, en je ziet je mail. Alles wat niet kosjer ruikt, daar tik je de letter `D` voor, en het programma smijt alle D`tjes subiet weg. Daarna kun je met een gerust hart Outlook, Exchange of Eudora opstarten, in de gerusstellende wetenschap dat geen enkel virus tot je huiskamer zal komen. Het is een beetje sport: virussen verslaan voor ze de computer bereiken.
Omdat de onvermijdelijke rekeningen, die gepaard gaan met het uitoefenen van die hobby, altijd uit Napa kwamen, ben ik er altijd vanuit gegaan dat de hardware waarop mijn digitale toko geparkeerd is, daadwerkelijk in Californie staat.
Toen ik vorig jaar in de buurt was, in de wijnvallei ten noorden van San Francisco, ben ik er uit nieuwsgierigheid langs gereden. Open kantoortuinen, maar niets dat erop wees dat daar een serverpark, goed voor enkel honderdduizenden domeinen, gehuisvest was. Het was meer een studentikoze kantoortuin. Waar zou mijn server staan?
Ik moest op dat moment aan Tom Leahy denken, die 33 jaar in het Australische gedeelte van Nieuw Guinea heeft doorgebracht. Toen hij daar als hoogste bestuurder de plaatselijke bewoners zo ver kreeg dat ze hun geld naar de bank brachten, kwamen ze met zakken munten aansjouwen. En eisten vervolgens iedere dag opnieuw dat die munten stuk voor stuk voor ze uitgeteld werden, als bewijs dat het geld er nog steeds was.
Net op tijd zag ik in dat ze me daar in Napa als een blanke Papua zouden zien, met zijn vuist op tafel timmerend het recht eisend om zijn server te zien. Ik ben dus maar verder gereden.
Mijn domein werd ooit gehost door TaBNet, maar dat bedrijf is allang overgenomen door Verio, en die zullen wel weer bij een of andere goed beveiligde ijzerboer de diskspace en de verbindingen gehuurd hebben. Waar mijn virtuele leven zich afspeelt, daar kom ik nooit achter. Waar die virussen blijven weet ik ook niet, maar dat kan me niet bommen.
Posted: June 02, 2001, 02:04 AM | Comments (1) |